Alprazolam

Dit geneesmiddel is niet geregistreerd voor gebruik bij dieren. Het gebruik bij huisdieren is echter toegestaan op grond van de vrijstellingsregeling van de Diergeneesmiddelenwet.

 
Farmaceutische vorm en samenstelling: Tabletten met 0.5 mg of 0.25 mg alprazolam. 

Eigenschappen: Alprazolam behoort tot de benzodiazepines. Deze geneesmiddelen onderdrukken het zenuwstelsel. Het dier wordt rustiger, angst neemt af, spieren ontspannen en epileptische aanvallen worden onderdrukt.

Doeldieren: Er is ervaring met het gebruik van Alprazolam bij honden en katten.

Indicaties: Alprazolam  wordt gebruikt voor de behandeling van angst, opwinding, onbehandelbaarheid en kramptoestanden bij honden en katten. Omdat Alprazolam vermindering van angst geeft  is het bruikbaar bij vuurwerk en onweer. Verder wordt het bij honden toegepast bij epilepsie en bij blaasproblemen.

Waarschuwingen en contra-indicaties: Het middel mag niet langer dan enkele dagen achtereen worden geven, o.a. vanwege de zware belasting van nieren en lever. Grote voorzichtigheid is dan ook geboden bij dieren met verminderde nier- of leverfunctie en bij zwakke en oudere dieren. Terughoudendheid is tevens geboden bij dieren in coma, dieren in shock, bij dieren met ademproblemen en bij glaucoom (verhoogde oogdruk).
De veiligheid van het middel bij drachtige en zogende dieren is niet aangetoond. Bij de mens is bekend dat  benzodiazepines schadelijk kunnen zijn tijdens de zwangerschap. Ook is bekend dat benzodiazepines de placenta passeren en in de moedermelk terecht komen.
De werking van andere diergeneesmiddelen kan worden beïnvloed. In elk geval niet combineren met fenobarbital of antischimmelmiddelen.
Het middel zal niet altijd het gewenste effect geven. Ook is het mogelijk dat door bijwerkingen het middel, achteraf bezien, beter niet had kunnen worden gegeven. 

Toediening en dosering: De dosering is afhankelijk van de ernst van de aandoening en is per diersoort verschillend. Bij angst door vuurwerk of onweer gelden de volgende adviezen:
Hond: 0.02 tot 0.1 mg/kg via de bek,  2 tot 4 x per dag met een tussentijd van tenminste 4 uur. De aanvangsdosis is 0.05 mg/kg, te geven 1 uur tot 15 minuten voor het verwachte geluid of angstmoment, of (maar niet bij voorkeur) direct na waarneming van angstverschijnselen (bijvoorbeeld vluchten uit de kamer, wegkruipen, lage houding, grote pupillen, etc.). Doseer op effect. Als het dier te suf wordt, moet de aanvangsdosis worden verlaagd, bijvoorbeeld gehalveerd. Bij onvoldoende effect kan de dosering worden verhoogd tot maximaal de dubbele aanvangsdosis. Voorbeelden van startdoseringen:
Een hond van 5 kg krijgt 1 tablet van 0.25 mg, een hond van 10 kg 1 tablet van 0.5 mg, een hond van 20 kg 2 tabletten van 0.5 mg.
Meestal zijn op oudejaarsavond  2 doseringen voldoende, bijvoorbeeld om 18.00 en 22.00 uur. Een erg angstige hond zo nodig om 10.00 uur, 14.00 uur, 18.00 uur,  en 22.00 uur.
Kat: 0.125 tot 0.25 mg/kat via de bek, 1 tot 3 x per dag. Dat komt dus neer op 1/2 tot 1 tablet van 0.25 mg per keer.

Beschreven bijwerkingen:  Sloomheid, onrust, spierzwakte, overdreven aanhankelijkheid, trillen, toename van de eetlust.

Bewaarcondities: Droog, donker, bij kamertemperatuur (15-25°C), in een goed gesloten originele verpakking en buiten bereik van kinderen en huisdieren.

Houdbaarheid: De uiterste houdbaarheidsdatum staat op de verpakking vermeld na de woorden ‘niet te
gebruiken na’ of na het woord ‘Exp’.